Kabinet laat door de rechter gestelde termijn in de Klimaatzaak Bonaire verstrijken zonder de gevraagde cijfers
De rechtbank Den Haag gaf de Staat op 28 januari zes maanden om te berekenen hoeveel broeikasgas Nederland nog eerlijk mag uitstoten binnen de anderhalve graad. Die termijn liep dinsdag af zonder dat het cijfer er is. Het ministerie verwijst naar Prinsjesdag, ruim na de datum die de rechter redelijk noemde. Juristen spreken van een blamage en van staatsrechtelijke onhoffelijkheid.

Een termijn die ongemerkt afliep
De rechtbank Den Haag droeg de Nederlandse Staat op 28 januari van dit jaar op om binnen zes maanden te kwantificeren hoeveel broeikasgas Nederland nog kan uitstoten als eerlijk aandeel in het mondiaal resterende koolstofbudget voor maximaal anderhalve graad opwarming. Die zes maanden waren dinsdag 28 juli voorbij.
Het cijfer is er niet. Het ministerie liet weten dat meer informatie op Prinsjesdag volgt, maanden na de datum die de rechter als redelijk had aangemerkt. Minister Van Veldhoven van D66 wilde er voor de camera geen vragen over beantwoorden.
Waar de zaak over gaat
De uitspraak kwam voort uit een procedure die Greenpeace Nederland samen met acht inwoners van Bonaire tegen de Staat aanspande. De inzet was of Nederland genoeg doet om de bewoners van het eiland te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering, van zeespiegelstijging tot extreme hitte en aantasting van de natuur.
De rechtbank oordeelde dat de Staat tekortschiet en daarmee mensenrechten van de inwoners schendt. Het vonnis verwees onder meer naar de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en naar artikel 1 van het twaalfde protocol, dat over discriminatie gaat. Bonaireanen worden volgens de rechtbank anders behandeld dan inwoners van het Europese deel van Nederland.
Wat de rechter precies eiste
Het vonnis bevat meer dan alleen de berekening van de emissieruimte. Op basis van dat cijfer moet de Staat uiterlijk 28 juli volgend jaar bindende reductiedoelen vaststellen voor 2030, 2035, 2040 en 2045, inclusief de uitstoot van internationale luchtvaart en scheepvaart. Zonder de kwantificering van dit jaar is die volgende stap moeilijk te zetten.
Daarnaast zijn er verplichtingen rond aanpassing aan het klimaat. Er moet uiterlijk in 2030 een integraal adaptatieplan voor Bonaire liggen dat aansluit bij het VN-raamwerk, met in 2027 al een waarschuwingssysteem voor meerdere soorten dreigingen. Ook moet er structurele financiering komen, waaronder het waar mogelijk openstellen van het Deltafonds voor Caribisch Nederland en een meerjarig adaptatiefonds voor de eilanden.
Hoger beroep schort niets op
Het kabinet besloot in april in hoger beroep te gaan. In een Kamerbrief van 10 april werd dat toegelicht met een verwijzing naar zwaarwegende juridische redenen, en op een overleg met de Caribische rijksdelen in mei hield het kabinet aan dat besluit vast, ondanks kritiek uit dat deel van het Koninkrijk.
Dat beroep ontslaat de Staat echter niet van de plicht om nu te leveren. De rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat de opgelegde stappen ondertussen gewoon moeten worden gezet. Het kabinet zei bij het aankondigen van het hoger beroep zelf ook dat het het vonnis zou uitvoeren.
Scherpe kritiek uit de rechtswetenschap
Klimaatjurist Tim Bleeker van de Vrije Universiteit noemde het een blamage voor Nederland dat de overheid na een half jaar nog altijd niet kan zeggen van welke emissieruimte zij uitgaat. Laura Burgers, jurist aan de Universiteit van Amsterdam, sprak van staatsrechtelijke onhoffelijkheid en noemde het simpelweg nalatig, mede omdat de Staat eerder aanvoerde dat de benodigde gegevens al beschikbaar waren.
Onderzoeker Tycho Scholten van diezelfde Vrije Universiteit wees op een patroon. Hij vergeleek de gang van zaken met het stikstofdossier, waar rechters inmiddels dwangsommen opleggen omdat afspraken niet worden nagekomen. Dat is de route die ook hier open kan komen te liggen als de Staat blijft achterlopen.
Adviesorganen die niet zijn geraadpleegd
Opvallend is dat noch de Wetenschappelijke Klimaatraad noch het Planbureau voor de Leefomgeving om advies is gevraagd over de berekening van de emissieruimte. Dat zijn juist de instanties die voor zo'n vraag voor de hand liggen, en hun betrokkenheid zou de uitkomst hebben voorzien van onafhankelijk gewicht.
Waarom dat niet is gebeurd, is niet toegelicht. Het maakt de verwijzing naar Prinsjesdag lastiger te lezen als een kwestie van rekenwerk dat nu eenmaal tijd kost, en makkelijker als een politieke keuze om het moment te verschuiven naar de begrotingsdag.
Waarom dit verder reikt dan Bonaire
De uitspraak wordt gezien als de eerste Europese zaak waarin een rechter een land ook op het gebied van aanpassingsbeleid tot bescherming van burgers verplicht. Dat maakt de naleving ervan tot meer dan een lokale kwestie: de manier waarop Nederland met deze termijn omgaat, wordt elders in Europa gevolgd.
Voor het Europese deel van Nederland heeft de berekening bovendien directe gevolgen. Een vastgesteld eerlijk aandeel in het resterende koolstofbudget legt de lat waaraan al het toekomstige klimaatbeleid wordt gemeten, en dat raakt aan industrie, mobiliteit, landbouw en woningen. Dat is precies wat de kwestie politiek gevoelig maakt, en het verklaart waarom een op het oog technische rekensom een half jaar na het vonnis nog altijd ontbreekt.
Bronnen
Reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Laat een reactie achter
Reacties worden gemodereerd voor publicatie. Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.