DeepSeek verdringt Google uit de top van het zakelijke AI-verkeer, en open modellen halen ruim een derde van alle tokens
Open modellen verwerken inmiddels 36 procent van al het zakelijke AI-verkeer dat via het platform van Vercel loopt. DeepSeek klom in drie maanden van minder dan 1 procent naar 25 procent van het tokenvolume en liet Google achter zich op 10,7 procent. Anthropic verwerkt 30 procent van het volume maar incasseert 65,1 procent van de uitgaven. De cijfers komen van een enkel platform, wat de reikwijdte van de conclusies begrenst.

Een ranglijst die in vier maanden op zijn kop ging
Het Amerikaanse ontwikkelplatform Vercel publiceerde deze week zijn maandelijkse overzicht van het AI-verkeer dat via zijn gateway loopt. Uit de cijfers over juli blijkt dat het Chinese DeepSeek is doorgestoten naar de tweede plaats, gemeten in tokenvolume. In april verwerkte dat model nog minder dan 1 procent van het verkeer.
Google zakte in dezelfde periode terug naar 10,7 procent. Volgens Vercel draaide een enkel DeepSeek-model in juli in zijn eentje meer tokens dan alle Google-modellen samen. Anthropic bleef met ongeveer 30 procent de grootste in volume, maar het verschil met de nummer twee is klein geworden.
Waar het geld terechtkomt is een ander verhaal
De rangorde ziet er totaal anders uit zodra je naar de rekening kijkt in plaats van naar het aantal verwerkte tokens. Anthropic incasseerde 65,1 procent van alle uitgaven op de gateway, terwijl het maar 30 procent van het volume verwerkte. De prijs per token lag bij dat bedrijf ongeveer 4,4 keer hoger dan het gemiddelde van alle andere aanbieders.
Dat verschil laat zien dat de markt uiteenvalt in twee lagen. Goedkope modellen doen het bulkwerk, terwijl duurdere modellen worden bewaard voor taken waar de kwaliteit zwaarder weegt dan de prijs. Wie alleen naar marktaandeel in tokens kijkt, ziet die tweedeling niet.
Open modellen zijn geen randverschijnsel meer
De categorie modellen met openbaar gemaakte gewichten groeide van ongeveer elf procent van het verkeer in april naar 36 procent in juli. Daarmee is deze groep in vier maanden van uitzondering naar substantieel aandeel gegaan. Het gaat daarbij grotendeels om modellen van Chinese makelij.
Voor bedrijven is de aantrekkingskracht vooral financieel. Open modellen zijn beduidend goedkoper per token, en ze kunnen in principe op eigen infrastructuur draaien in plaats van bij de aanbieder. Dat laatste is precies het argument dat in Europa steeds vaker valt bij discussies over afhankelijkheid.
De prijs daalt terwijl het verbruik hard oploopt
De gemiddelde prijs die klanten per token betaalden, daalde in juli met 13,6 procent. Tegelijk steeg het verwerkte volume met 59 procent en namen de totale uitgaven met 37 procent toe. Goedkoper worden leidde dus niet tot lagere rekeningen, maar tot meer verbruik.
Opvallend is verder dat 81 procent van het verkeer in juli liep op modellen die een half jaar eerder nog niet op het platform beschikbaar waren. Dat cijfer zegt iets over het tempo waarin bedrijven van model wisselen, en over hoe kort een voorsprong in deze markt houdbaar is.
Wat dit betekent voor Nederlandse bedrijven
Nederlandse organisaties die AI in hun producten verwerken, staan voor dezelfde afweging als de bedrijven in deze cijfers. Een goedkoper model verlaagt de variabele kosten direct, en bij de volumes die in deze index zichtbaar worden, tikt dat snel aan. Overstappen is bovendien technisch eenvoudiger geworden nu veel modellen via dezelfde koppelingen te benaderen zijn.
Daar staat tegenover dat de keuze voor een Chinees model juridische vragen oproept die verder gaan dan de prijs per token. Waar de verwerking plaatsvindt, wie toegang heeft tot de invoer en hoe dat zich verhoudt tot de Europese AI-verordening en de privacyregels, zijn vragen die per toepassing beantwoord moeten worden. Voor organisaties die met persoonsgegevens of bedrijfsgeheimen werken, is dat geen formaliteit.
De cijfers meten een deel van de markt, niet het geheel
Bij de interpretatie past een stevige kanttekening. De index is gebaseerd op geanonimiseerde routeringsgegevens van een enkel platform, en dat platform trekt een specifiek publiek aan van webontwikkelaars en softwareteams. Bedrijven die rechtstreeks bij een aanbieder inkopen of hun modellen in eigen datacentra draaien, zitten niet in deze cijfers.
Dat betekent niet dat de verschuiving verzonnen is, maar wel dat de percentages niet zonder meer op de hele markt geplakt kunnen worden. Het patroon dat eruit spreekt, namelijk snelle wisselingen en een groeiend aandeel voor goedkope open modellen, is waarschijnlijk breder zichtbaar dan de exacte getallen.
Wat er nog onbeantwoord blijft
De index laat zien wat bedrijven kiezen, maar niet waarom ze het kiezen en of ze tevreden blijven. Of de overstap naar goedkopere modellen standhoudt zodra teams tegen kwaliteitsverschillen aanlopen, valt uit deze gegevens niet af te lezen. Evenmin blijkt eruit hoeveel van het verkeer naar experimenten gaat en hoeveel naar toepassingen die echt in productie draaien.
Ook de houdbaarheid van de lage prijzen is een open vraag. Aanbieders die marktaandeel kopen met scherpe tarieven kunnen die later verhogen, en bij open modellen verschuift de rekening dan naar de kosten van eigen rekenkracht. De komende maandoverzichten zullen moeten uitwijzen of juli een omslagpunt was of een uitschieter.
Bronnen
Reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Laat een reactie achter
Reacties worden gemodereerd voor publicatie. Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.